home > blog > Bang voor oma

Bang voor oma

Vandaag neem ik mijn zoon Sem van 14 jaar mee op bezoek bij zijn oma. Heel even heb ik hierover getwijfeld, omdat haar stemming en gedrag onberekenbaar zijn en hij haar nooit eerder ‘slecht’ heeft meegemaakt. Omdat er voor hem geen lol aan het contact met zijn grootmoeder te beleven is, ziet hij haar sowieso niet vaker dan drie keer per jaar. Ik besluit dat ik hem niet hoef te beschermen – hij is geen klein kind meer.

Ze reageert blij en vrolijk als we binnenkomen: ‘O, dat vind ik leuk!’ Ze geeft zoenen. Ze vraagt of we thee willen, en gaat het zelf halen. Of we een koekje willen? Of er suiker in de thee moet? Allemaal heel relevant en actief. Een groot verschil met de vorige keer, twee weken terug. Ze trilt niet met de kopjes. Misschien heeft ze inmiddels andere medicijnen, denk ik in stilte. Ze begint honderduit te kletsen. Wat ze heeft gegeten bij de lunch. Dat het belangrijk is dat ze goed eet want ze was zo afgevallen. Dat ze niet naar zingen waren gegaan vanochtend omdat het stortregende. Dat ze bingo had gespeeld eerder deze week. Dat ze een tasje had gekregen om een bloknootje en twee pennen in mee te dragen. Ze laat het tasje zien: het is rood met twee handvatjes, formaat van een ruime toilettas. Ze schrijft nu elke dag: vijf blaadjes zijn vol gepriegeld in een moeilijk leesbaar ouderwets handschrift zonder interpunctie of hoofdletters. Ze lacht, haar gezicht expressief. Ze maakt een heel goede indruk.

Nu vertelt ze over de bingo. op twee vakjes na had ze de kaart vol. Niet gewonnen dus. Maar, zegt ze met een stralende ondeugende jonge meisjes blik in haar ogen, ze had de begeleider zo ver gekregen om haar toch een prijs te geven: de shawl die ze zo mooi vond. ‘Ja, ik heb toch ook altijd hard gewerkt?!’ En ze had er hoogstpersoonlijk voor gezorgd dat een andere mevrouw, die haar eens had geholpen en die ze dus heel aardig vond, ook een prijsje kreeg. Mooi zo. Alleen, toen ze tijdens de bingo naar de wc was gegaan en terugkwam, was haar pen gestolen. Ze is er nog boos over, dat is duidelijk. Het blijkt de opmaat naar nog meer nare verhalen.

Om haar af te leiden stel ik voor om een stukje te gaan wandelen. Als ik erbij ben, mogen we het terrein af. Dus daar lopen we over de stoep: moeder en dochter gearmd, kleinzoon naast zijn oma. Oma die niet meer te stuiten is en op luide toon haar beklag doet. ‘Ze stelen op de afdeling, er zijn dingen uit mijn kamer weggehaald, en nu zit alles op slot – zelfs de kledingkast gaat op slot en voor alles moet ik de verpleging vragen. Ik word geslagen!’ Ik weet ervan. Het is één keer gebeurd en de dader is meteen overgeplaatst. Ze schermt ermee alsof het om voortdurende mishandeling gaat. ‘Die ene nachtwacht is een kreng, daar ben ik bang voor. En ook iemand van de verpleging heeft me vastgegrepen. Ze heeft me hard geknepen! Dat kan toch niet? Ik moet toch voor mezelf opkomen?!’ Ze gaat steeds harder schreeuwen, en lijkt me niet te horen als ik haar probeer te sussen. ‘En de koffie is niet lekker. En als ik hier dood ga – ja dat kan toch? – dan wil ik niet dat Alie erbij is. En Leentje hoef ik ook niet, die heeft mijn laarzen weggegooid, wie gooit er nou goede laarzen weg?’ Het slaat nergens op: Alie is haar enige zuster die haar trouw opzoekt, en laarzen heeft mijn moeder al zeker in geen twintig jaar meer gedragen.

Van de vrolijkheid van daarnet is niets meer over. Ze loopt met een strakke verbeten trek op haar gezicht, ze grimast als ze zich kwaad maakt op alles en iedereen, ze balt haar vuisten en beent woest over de stoep, kijkt niet op of om terwijl ze totaal opgaat in haar boze beschuldigingen. Driftig schiet haar stem steeds opnieuw de hoogte in: ‘Ik mag toch zeker wel voor mezelf opkomen?!’ Ik ga nergens op in. Ze luistert nu toch niet. als het me te gortig wordt – over Alie en Leentje – zeg ik heel kort, op een rustige maar besliste toon, dat ze overdrijft en dat ik het anders zie. Dan stapt ze op iets anders over. Niet dat ze het met me eens is, maar ze wil geen confrontatie – tenminste, meestal niet met mij. Ik weet dat al mijn leven lang. Alleen als ik rustig blijf kan het lukken om haar een beetje in de hand te houden.

Sem weet dat niet. Hij is stil en loopt een stukje bij ons vandaan. Hij heeft letterlijk en figuurlijk afstand genomen. Ik heb al mijn concentratie nodig om mijn moeder weer veilig terug naar de afdeling te krijgen en om te zorgen dat ze niet totaal doorschiet in haar waanbeleving. Onderweg terug naar huis kan ik pas met hem praten. Hij vond haar eng. ‘Waarom zegt ze al die dingen? Waarom zo agressief?’ Hij zoekt naar woorden, klinkt onzeker. ‘Ik dacht dat ze misschien wel wat zou doen… slaan of zo. Dat ze zó kwaad was…’ Hij was bang geworden van de spanning en agressie die van haar af straalde, en van de onbekendheid en onvoorspelbaarheid van de hele situatie. Ik vertel hem dat ik vroeger als kind ook bang was geweest, dat ik door ervaring geleerd had dat het het beste werkte als ik zelf kalm bleef en me niet liet meetrekken door haar vreemde verhalen of onbeheerste gedrag, en dat ze me nog nooit iets had gedaan als ‘slaan of zo’. Ze maakt zichzelf heel druk, maar ze ‘doet’ niks.

Okee, hij probeert het te geloven. Een tijdje zit hij stil voor zich uit te kijken, en zegt dan: ‘Van wat jij wel eens verteld hebt, wist ik wel dat ze psychisch ziek is, maar ik heb het nog nooit gezien. Ze is een beetje vreemd, anders dan andere oma. Ze is altijd stil en ze begrijpt niet veel als je gewoon met haar wilt praten, maar verder vond ik het nooit zo’n probleem. Ik snap nu pas dat jij vroeger van die moeilijke dingen hebt meegemaakt, dat het wel echt erg was.’ Hij kijkt me aan en zijn beetje droevige, bezorgde blik ontroert me. Stiekem ben ik blij dat ik hem heb meegenomen.

De blogs van Elzie zijn eerder gepubliceerd als columns in het blad van  de stichting Labyrint~In Perspectief en daarna door de stichting uitgegeven als ‘Elziebundel’. Deze bundel is nog steeds verkrijgbaar, neem contact op met ons  secretariaat@labyrint-in-perspectief.n

 

 

Overige blogberichten