home > blog > Crisisopname

Crisisopname

Dat mijn moeder de foto van Marja en het zo belangrijke schrift had weggegooid, zijn geen op zichzelf staande incidenten maar blijken na verloop van tijd deel van een omvattender proces van ‘achteruitgang’. Steeds vaker vertoont ze lastig gedrag binnen de leefgroep van het hof. Zo schiet ze zonder aanleiding uit haar slof, valt uit naar andere bewoners, maakt spullen zoek, haalt koekjes of fruit weg uit kamers van anderen en ontkent dat glashard zelfs al liggen de betreffende etenswaren in haar eigen kast!

Telkens wanneer begeleider Martin haar op haar eigen aandeel en verantwoordelijkheid aanspreekt, voert ze mijn dode zus op als excuus. ‘Maar ik ben toch mijn dochter verloren?’ zegt ze op zielige toon, alsof ze daarmee een onbeperkt geldige vrijbrief in handen heeft. Haar is iets onverdraaglijk ergs overkomen, daarom kan zij nu doen en laten wat haar goeddunkt zonder nog enige verantwoording af te hoeven leggen.  En ook al is het inmiddels meer dan vier jaar geleden dat Marja stierf, ze wil (of kan?) niet over haar praten. Zelfs niet ‘gewoon’ herinneringen ophalen. 

Ik heb het weggooien van de foto achteraf begrepen als een poging om het verdriet uit te bannen, omdat de enige manier waarop ze nog aan haar dochter kan denken ‘de dode dochter’ omvat. Het tragische beeld van het eenzame uitgemergelde zieke lichaam, dat beeld krijgt ze niet uit haar geheugen, het is te groot en te erg. Mijn moeder heeft net als veel van haar generatiegenoten, haar leven lang aan moeilijkheden-ontkennen gedaan, aan verdriet-uit de-weg-gaan, aan je-hoofd-omdraaien. Misschien dat zij het nog sterker, extremer, doet vanuit de angst en kwetsbaarheid die bij haar psychiatrische ziekte horen. Alleen werkt het niet, alle pogingen tot ontkennen en verdringen schieten tekort. Marja’s dood zit in haar hoofd en bezorgt haar de laatste tijd steeds meer pijn en verdriet, al is niet duidelijk waarom dat juist nu zo opspeelt.

Mijn moeder denkt ook vaak aan haar eigen einde, wat voor een 78-jarige natuurlijk helemaal niet vreemd is. Typisch is wel dat ze zich niet uitlaat over het sterven zelf, maar dat ze zich druk maakt over de kosten. Er was namelijk ‘een meneer’ bij haar geweest die haar verteld had dat een begrafenis tegenwoordig ‘heel veel geld’ kost. Keer op keer stel ik haar gerust dat er geld genoeg is, maar ze lijkt het niet te onthouden en komt er steeds weer op paniekerige toon op terug. Wie die meneer was, blijft ook een raadsel – niemand in Het Hof weet ervan. misschien was het de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige die sporadisch langskomt, misschien was er helemaal geen echte meneer.

Haar onrust en angst nemen steeds grotere proporties aan. Langzaamaan wordt duidelijk dat ze de realiteit uit het oog verliest. Ze noemt haar zus Alie een kreng en haar vriendin Leentje gemeen, terwijl dit twee lieve en trouwe bezoekers zijn. Ze meent dat mensen van de afdeling het op haar gemunt hebben, terwijl daar geen enkele aanleiding voor is. Als ze me vertelt dat er ’s nachts een onbekende vrouw op haar kamer was komen schuilen en als ik van de begeleiding hoor dat ze zichzelf een paar uur lang in haar kledingkast verstopt had, weet ik dat het voor de zoveelste keer in haar leven ‘echt mis’ is. Ik maak me zorgen, en ook voor de begeleiders van de hof is het niet eenvoudig om met mijn moeder om te gaan.

Toch schrik ik als ik een telefoontje krijg dat er tot crisisopname is overgegaan, want ‘crisis’ is wel een heel acute ingreep. ‘dat klopt, het is drastisch en acuut,’ zegt begeleider Ruud. ‘Je moeder heeft een grens overschreden door niet alleen beschuldigende taal uit te slaan tegenover andere bewoners, maar ze heeft nu daadwerkelijk iemand van het personeel persoonlijk bedreigd. Ze is te ver gegaan, dat kunnen we hier op geen enkele manier tolereren.

We hebben veel coulance met haar gehad, maar ‘sorry’ zeggen kan nu niet meer. Voor ons is ze onhanteerbaar geworden.’Details over de bedreiging wil hij liever niet geven, maar ik hoor duidelijk dat er niet ‘zomaar’ tot spoedopname wordt overgegaan. Met wat ik heb meegekregen van de toenemende spanning in de laatste maanden, verbaast het me ook niet echt dat het ineens escaleert.

Hij legt uit dat ze haar de volgende dag naar een grote instelling in de stad verhuizen, naar een afdeling die gespecialiseerd is in geriatrisch-psychiatrisch onderzoek en observatie van ouderen. Hopelijk kan daar worden uitgezocht wat precies de reden is en kan een nieuwe behandeling worden vastgesteld. Ik luister en word een beetje bang. het is me duidelijk dat het zo niet verder kan, maar wat zou het erg zijn als mijn moeder opnieuw in een afvoerputje zou verdwijnen. ‘Kan ze daarna weer terug naar Het Hof?’ vraag ik daarom, ook al weet ik wel dat daar natuurlijk nog geen zinnig antwoord op gegeven kan worden. Ruud stelt me gerust: ‘daar gaan we voorlopig wel vanuit. Ze blijft bij ons horen zolang het in principe om een tijdelijke opname gaat.’

Mijn moeder verhuist naar het Klinisch centrum voor ouderen. Het is onderdeel van een grote stedelijke psychiatrische instelling. Meteen na het passeren van de slagboom die toegang geeft tot het terrein van de instelling, staat rechts een modern flatgebouw van zes verdiepingen. Door een brede glazen deur die automatisch opengaat, betreed je een grote open hal. Deze is prettig ingericht met enkele zitjes, planten, en mooie kunst aan de muur. De portier wijst bezoekers de weg. De afdeling voor psycho-geriatrisch onderzoek is achter gesloten deuren gevestigd op de begane grond. Er zijn twee huiskamers waar ouderen worden opgenomen – veelal mensen die geheugenproblemen hebben en vermoedelijk aan het dementeren zijn. De verblijfsduur is ongeveer drie maanden.

De blogs van Elzie zijn eerder gepubliceerd als columns in het blad van  de stichting Labyrint~In Perspectief en daarna door de stichting uitgegeven als ‘Elziebundel’. Deze bundel is nog steeds verkrijgbaar, neem contact op met ons  secretariaat@labyrint-in-perspectief.nl

 

 

Overige blogberichten