home > blog > De tantes en de toekomst

De tantes en de toekomst

Tante Alie en tante Loes gaan geregeld bij mijn moeder op bezoek, terwijl de rest van haar omvangrijke familie zich zelden of nooit laat zien. Ik ben blij met de zorg en aandacht die zij mijn moeder geven – het is een van de weinige dingen die voor haar nog van grote waarde zijn: bij de familie horen. Maar de tantes hebben zo hun eigen ideeën en beelden van mijn moeder. Die kunnen nogal afwijken van wat ik denk en verwacht op basis van wat ik mijn leven lang met haar heb meegemaakt.

 Tante Alie is tijdens het jaar dat mijn moeder nu is opgenomen, gaan twijfelen aan haar mening. Waar zij vroeger dacht dat haar zus ‘gewoon niet zo moest blijven somberen’, wat harder of nuchterder aangepakt moest worden om uit haar lethargie te komen, is zij langzaamaan gaan inzien dat mijn moeder echt ziek is en niet functioneert zoals nodig is om ‘in de maatschappij’ te leven.

Tante Alie maakt zich zorgen en is verdrietig. Ze wil graag weten of – en zo ja, hoe – het nog zou kunnen verbeteren.Tante Loes is nog niet zo ver. Die wil mijn moeder niet ‘afschrijven’. ‘Luister Elzie,’ zegt ze bijna smekend aan de telefoon, ‘als ze nu toch eens in een verzorgingshuis kan wonen waar het gezellig is, dat is toch veel fijner?! Waar iemand een praatje met haar maakt, een kopje koffie komt drinken. Ze doen er leuke dingen hoor, in een verzorgingshuis.’ om mij te overtuigen, begint ze verhalen te vertellen vanuit haar ervaringen als vrijwilligster in het lokale bejaardencentrum.

Ik leg haar uit hoe mijn moeder vroeger altijd werd gemeden in de eetzaal van het verzorgingshuis waar ze toen meeat en waar ze vaak ook thee en koffie dronk. Mijn moeder was ‘anders’. Niemand wilde naast haar zitten. Niemand kwam met haar kletsen. Scherpe 

en afkeurende blikken waren er wel, en misprijzend gemompel. Ook ik werd met ogen op steeltjes gevolgd als ik op bezoek kwam en mijn moeder in de eetzaal aantrof. Ze moesten haar niet. een harde wereld vond ik het, keihard in het oordeel wie er wel bij hoorde en wie niet.

Tante Loes laat zich niet van de wijs brengen en raakt geïrriteerd. het lijkt of ze bang is dat ik mijn moeder wil ‘wegstoppen’ in de psychiatrie. toch weet ik zeker dat tante Loes, net als tante Alie en ikzelf, oprecht het beste met mijn moeder voorheeft. En ik begrijp heel goed dat ze haar zus graag iets anders gunt dan de rest van haar leven in zo’n treurige instellingsomgeving te moeten blijven.

De tantes komen naar het familiegesprek dat we over de toekomst van mijn moeder voeren. Drie hulpverleners zijn erbij: een begeleidster van Wilgenhof, de psychologe, en de zorgcoördinator. Voordat een toekomstplan aan de orde komt, gaat het over de 

diagnose: schizofrenie op basis van meerdere psychotische perioden in het verleden, met een schizo-affectieve stoornis die haar sociaal functioneren bepaalt. De zorgcoördinator legt zoveel mogelijk in gewone-mensentaal uit hoe het komt dat mijn moeder zo afwezig en passief is, dat ze niet communiceert, dat ze situaties met meerdere ‘prikkels’ niet aankan (omdat ze die niet kan ‘selecteren en reduceren’ zoals wij doorlopend doen) en dat ze zich daarom volledig afsluit. Hij maakt begrijpelijk dat iets simpels als een ritje met de bus naar het winkelcentrum haar al danig in de war kan brengen. Medicijnen moeten zorgen dat ze niet weer in een psychose schiet, en verbetering is niet meer te verwachten.

Ik ben bijna blij van opluchting. Ik heb nog nooit zo’n helder en herkenbaar verhaal van een hulpverlener over mijn moeder gehoord! Wat me ook goed doet, is de bevestiging van wat ik al een hele tijd voel aankomen: het wordt niet meer beter. Niet omdat dit een leuk bericht is, maar wel omdat het een eind maakt aan de verwarrende onduidelijkheid van wat we nog mogen of kunnen verwachten van mijn moeder. De boodschap is klip en klaar: accepteer haar zoals ze nu is, deze ziekte is en blijft de realiteit van haar leven.

De tantes luisteren met grote ogen. Tante alie is stil. Ze ziet er heel droevig uit en knijpt de hand van haar man fijn, het is nog erger dan ze al dacht. Tante Loes lijkt het nog niet te bevatten. Een beetje verbaasd en onzeker stelt ze de vraag of mijn moeder dan niet 

beter af zou zijn in een gewóne omgeving met vriendelijke mensen en goede hulp zoals in een verzorgingshuis – het zou toch kunnen dat ze dan wel weer opknapt? Ze wil de hoop niet opgeven. De zorgcoördinator vertelt heel rustig en beslist dat dit niet meer zal 
gebeuren. Zijn hele uitleg komt erop neer dat mijn moeder veel zieker is dan wij ooit beseften. als wij dachten dat ze best anders zou kunnen als ze maar wilde, als wij het gevoel hadden dat ze manipuleerde en misbruik maakte van haar zieligheid, dan bekeken we 
haar vanuit onze ‘gezonde’ verwachtingen. Daar kan ze al lang niet meer aan voldoen. misschien zou ze wel willen, maar ze kan niet. Kan het niet. Als de impact van dit alles tot tante Loes doordringt, worden haar ogen vochtig. Ze slikt haar tranen weg. 

Een half uurtje later gaan we allemaal akkoord met het voorstel om mijn moeder aan te melden bij een RIBW (regionale Instelling voor Beschermd Wonen) voor chronische patiënten. De moeder, die vanaf mijn tweede jaar op en af ‘ziek’ en opgenomen was maar 

altijd weer terugkwam en in een gewoon huis woonde, wordt voor de rest van haar leven aan de psychiatrische zorg overgedragen. Intens treurig zijn de tantes, maar ze snappen het nu wel. Ik ben ook verdrietig, maar meer nog ben ik blij omdat mijn moeder in een 
beschermde omgeving zal blijven met de zorg die zij nodig heeft. Mijn moeder wordt aangemeld voor Beschermd Wonen. Er volgt een intake, die nog even spannend blijkt, wanneer twijfel rijst of zij wel ‘goed genoeg’ is om in een groep te wonen. Met hulp van de zorgcoördinator en na enige gesprekken wordt haar aanmelding geaccepteerd en komt ze op de wachtlijst.

Over de wachttijd krijgen we geen concrete informatie – het is immers niet duidelijk wanneer er een kamer vrij komt in een al bestaande woongroep. Als nummer drie op de wachtlijst kan het nog geruime tijd duren voor mijn moeder aan de beurt is. Dit betekent weer dat mijn moeder niet op Wilgenhof mag blijven in afwachting van haar nieuwe huisvesting. Wilgenhof is een behandelafdeling waar patiënten in principe niet langer dan een jaar worden opgenomen, en mijn moeder zit er intussen al anderhalf jaar. Zij moet voor de tussentijd verhuizen naar het paviljoen voor chronische zorg, Dennenrust. Deze afdeling is door de 

zorgcoördinator in een vertrouwelijk gesprek aangeduid als ‘het afvoerputje’ van de instelling, in verband met de slechte staat van zowel het gebouw als het personeel. Met chronische zorg kan de instelling geen goede sier maken, dus wordt er letterlijk en figuurlijk niet in geïnvesteerd.

 De blogs van Elzie zijn eerder gepubliceerd als columns in het blad van  de stichting Labyrint~In Perspectief en daarna door de stichting uitgegeven als ‘Elziebundel’. Deze bundel is nog steeds verkrijgbaar, neem contact op met ons  secretariaat@labyrint-in-perspectief.nl

 

Overige blogberichten