home > blog > ‘Ik wil niet veranderen!’

‘Ik wil niet veranderen!’

De zorgcoördinator had me al gewaarschuwd: het gebouw waar de chronische afdeling gevestigd was, ziet er niet erg uitnodigend uit. Terwijl de behandelafdeling waar mijn moeder eerst zat, gehuisvest is in lage, geschakelde paviljoens en een open, ruime indruk maakt, lijkt gebouw Dennenrust op een hoge, donkere vesting. vier etages van donkerbruine steen, heel kleine raampjes met stalen vensters, somber en gesloten. Achter een rijtje lage struiken langs het pad zie ik een glazen deur – zo een die automatisch opengaat net als de toegang van een grote supermarkt. er gebeurt niks wanneer ik ervoor sta.

Geen bel te zien ook. Door de ruit zie ik een halletje en weer een deur. Dicht. Dan ontdek ik een bordje aan de muur, een beetje verscholen achter takken: een pijl wijst dat de ingang de hoek om is. Ik kom op een soort binnenplaats waar fietsenrekken onder een vervallen afdak staan, containers met afval, een geparkeerde auto. en de toegangsdeur, die gewoon open staat. Rubber matten in een halletje, nog een deur. Loodzware stalen deuren zijn het. Ze openen naar een hoogbetegelde gang, waar een vage geur van lysol hangt. Gescheurd linoleum op de vloer, wanden en schilderwerk in vale kleuren, wat oude foto’s aan de muur, een geborduurd schilderijtje – het roept een sterk jaren-vijftiggevoel bij me op. Er hangen bordjes met pijlen, naar A1 tot en met C4. een oudere man loopt mompelend langs me heen. Verpleging zie ik niet.

Mijn moeder moet in A2 zijn, en dat blijkt de eerste huiskamer die linksaf aan deze gang ligt. De kamer is een grote armetierige zaal vol rook. Het staat echt blauw, en het stinkt, ondanks een zacht zoemende afzuiginstallatie aan het plafond. Er zitten veel mensen, bijna allemaal mannen. Ze staren, ze roken; ze mummelen in zichzelf, ze roken; ze brommen, en draaien een shaggie. overal volle asbakken. Op de drie formicatafels waaraan steeds een of twee patiënten zitten, op de lage bijzettafels bij de banken. Het lijkt geanimeerd druk, maar als je goed kijkt is iedereen op zichzelf, praat voor zich uit of tegen een ander zonder echt contact te maken. Alles ziet er morsig uit: de meubels, de dode planten, de kleding en de kapsels, ook van de vrouwen. Wat een droefenis. En wat verschrikkelijk voor mijn moeder, die een hekel heeft aan roken en van ‘keurig netjes’ houdt. Waar is ze eigenlijk?

Het duurt even voordat ik haar achterhoofd herken: rechtsachter in de huiskamer zit ze achter een glazen binnenwand. Er is een kleine niet-rokenkamer in de grote zaal gebouwd, waar mijn moeder haar ‘vaste plek’ heeft gekozen, met uitzicht op de tuin van het paviljoen. Het is hier weliswaar minder rokerig, maar verder even armoedig als de grote zaal. Mijn moeder, die meestal geen duidelijke mening of beleving kan verwoorden, is dit keer uitgesproken duidelijk: het is hier niet leuk. Ze wilde al niet weg van Wilgenhof waar ze anderhalf jaar lang vertrouwd en gewend was, en nu zit ze hier in de rook met allemaal vervelende mensen. Ze zou toch naar Beschermd Wonen; wanneer gaat dat dan gebeuren?Ik weet het niet, de wachttijd is onzeker. Dat begrijpt ze niet. Waarom kan ik niet naar Beschermd Wonen? Ze zal het eindeloos blijven vragen. als we een rondje door het gebouw lopen en een donkere vrouw met een boos gezicht passeren, verstijft mijn moeder en zegt bang te zijn. Ik vertrek later met pijn in mijn buik en een dichte keel – hoe lang moet ze in deze verschrikkelijke omgeving blijven?

Na een week of zes krijg ik bericht dat mijn moeder overgeplaatst kan worden. Niet naar Beschermd Wonen, maar naar een andere huiskamer waar ze beter past. op A1 wordt bijna niet gerookt, en er wonen voornamelijk vrouwen, die bovendien veel rustiger van gedrag zijn dan de A-patiënten. Sommigen zijn ook wat socialer, dus mijn moeder kan hier meer rust vinden en wie weet ook nog wat gezelligheid.

 Als we een kijkje gaan nemen, ben ik blij verrast: het heeft bijna iets huiselijks met eikenhouten meubels, kleedjes op tafel en schemerlampen. Er liggen kussens op de bank, er staan bloeiende planten en vazen met bloemen, de kleur van de gordijnen past bij die van de rest van de inrichting. en je kunt er lekker ademhalen. een vrouw met een breiwerkje vraagt mijn moeder naar haar naam en heet haar meteen welkom. dat gaat een beetje te snel. We komen nu alleen kijken en gaan zo in gesprek met de zorgcoördinator en het afdelingshoofd.

Mijn moeder loopt wat schutterig mee naar ‘kantoor’, alwaar het hoofd uitlegt dat ze kan doorschuiven en in A1 beter op haar plaats is dan nu in A2. Ze staart hem aan, vragende blik. hij doet nogmaals zijn verhaal. Dan zegt ze: ‘moet ik dan wéér veranderen?’ Ja. We realiseren ons dat het weer wennen wordt, wat haar meer moeite kost dan ons psychisch gezonde mensen, maar wat ze erbij te winnen heeft, weegt zwaar. Geen rook, rustige sfeer, meer contact, geen agressie en drukteschoppers. Drie, vier keer opnieuw worden de voordelen benadrukt. het komt niet aan. Ze blijft herhalen dat ze niet weer wil veranderen. Uiteindelijk trekt het hoofd de conclusie dat we haar niet ‘om’ krijgen – wat betekent dat ze niet naar A1 zal gaan.

Weer ga ik met een enorm zwaar en machteloos gevoel naar huis. Ik gun haar alle autonomie die ze nog kan behappen, maar ze maakt overduidelijk de verkeerde keuze. Vanuit haar ziekte kan ze gewoon niet verder kijken dan de onoverkomelijk lijkende stap van weer een ingrijpende verandering. Wij (of: het psychiatrische zorgsysteem en de wetgeving) gaan ervan uit dat zij willens en wetens ‘ja’ zegt tegen iets wat haar zeer beangstigt, en dat is teveel gevraagd. Dus zegt ze ‘nee’ terwijl wij zeker weten dat ze zich beter zou voelen bij het doorzetten van de verandering.

Een paar maanden later blijkt dat ook wanneer een interne reorganisatie plaatsvindt in Dennenrust en een van de huiskamers wordt opgeheven. alle oudere bewoners worden opnieuw verdeeld over de twee huiskamers die open blijven. Mijn moeder wordt alsnog naar A1 verplaatst. Dit keer wordt haar niets gevraagd. Wat moet, dat moet – ze protesteert niet eens. Wennen is weer even moeilijk, maar al binnen twee weken is zichtbaar dat het haar goed doet en zegt ze zelf ook dat het hier fijner is.

Bij ‘reorganisatie’ denk ik meestal in de richting van slecht nieuws, maar dit was een reorganisatie om blij mee te zijn. mijn moeder zit er weer een stuk rustiger bij, we kunnen weer opgelucht ademhalen. Wie weet immers hoe lang ze hier nog moet wachten opeen plekje in Beschermd Wonen?

De blogs van Elzie zijn eerder gepubliceerd als columns in het blad van  de stichting Labyrint~In Perspectief en daarna door de stichting uitgegeven als ‘Elziebundel’. Deze bundel is nog steeds verkrijgbaar, neem contact op met ons  secretariaat@labyrint-in-perspectief.nlen?

 

Overige blogberichten