home > blog > Pijnlijk verleden duikt weer op

Pijnlijk verleden duikt weer op

Sinds enige weken weten mijn zus en ik dat onze vader zijn laatste levensfase ingaat. In onze puberjaren zijn we overvallen door zijn erg heftig verlopende manieën, waarbij hij de psychotische belevingen had die wel godsdienstwaan worden genoemd. Na de moeizaam verlopende echtscheiding van onze ouders hebben we onze vader ongeveer tien jaar niet gezien, bang als we voor hem geworden waren. Wel werden we af en toe aangesproken door naaste familieleden en mensen uit zijn kerk: het was toch zo zielig voor hem  dat hij zijn kinderen niet zag (inmiddels was hij weer in somberheid weggezakt), hij miste zijn kinderen zo, hij is toch je vader, hij is toch ziek …. Wij voelde ons buitengewoon ongelukkig bij dit emotionele appèl, en eenzaam. We misten de voor ons zo nodige erkenning en ondersteuning.

Ik zelf werd in de periode dat hij al een paar maanden weg was, gevraagd voor een ontmoeting met hem bij mijn oom en tante. 19 was ik en fietste 10 km naar hun huis. Daar aangekomen bleken ook mijn nichtjes van de partij te zijn. Mijn vader was in zijn nog niet geheel uitgewoede manie erg theatraal en voor mij was de ontmoeting uiterst onaangenaam. Alleen, gestresst en verdrietig fietste ik weer naar huis.

Na tien jaar besloten mijn zus en ik onder de deskundige begeleiding van een werkelijk geweldige dominee het contact weer voorzichtig te proberen. Het heeft enkele jaren geduurd, maar onze vader leerde tevreden te zijn met het eerst nog door een contractje met do’s en don’ts gereguleerde contact. Later werd het mogelijk van de vastgelegde contactmomenten af te stappen en konden we langzamerhand ontdekken dat onze toch wel merkwaardige vader ook heel lieve kanten had. Dat hadden we van onze moeder nooit meegekregen.

En nu is hij op zijn 87ste in zijn laatste levensfase gekomen. Mijn zus en ik doen, ieder naar vermogen, ons best om hem met aandacht en zorgzaamheid te omringen. Onze vader is dankbaar, vindt het heerlijk als we er zijn en geniet ervan. Trots is hij op zijn dochters. In zijn niet te beïnvloeden somberheid zijn wij de enige lichtpuntjes in zijn leven en hij laat ons dat met  regelmaat weten.

Op een avond treffen we een hoogbejaard echtpaar aan, contacten vanuit de toen nog door mijn vader bezochte kerk. Mevrouw is een lieve vrouw en meneer  is een vriendelijke, goedbedoelende man. Maar juist mensen die het goed bedoelen kunnen ongewild oud zeer oprakelen. In een telefoongesprek herhaalt hij verscheidene malen dat het toch zo fijn is dat het contact tussen onze vader en ons is hersteld; hij miste ons immers zo. Ook zegt hij dat onze vader toch zo eenzaam is en suggereert dat wij hem vaker zouden moeten bezoeken. Mijn zus krijgt daar buikpijn van. Ze heeft hem in de voorafgaande vier weken van huis opgehaald, naar het ziekenhuis gebracht, spulletjes opgehaald, wasje meegenomen, hem dagelijks bezocht in het ziekenhuis, enz. Dat alles gehaast na haar werk, als enig overgebleven ouder de avondmaaltijd met haar kinderen overslaand. Boos is ze en verdrietig om de onbedoeld ongepaste bemoeizucht van de zo aardige meneer. En wij dan, zegt ze me geëmotioneerd, waar zijn wij, ik doe toch wat ik kan? Ook wordt oude pijn weer opgerakeld: de pijn dat we in onze ontheemdheid, ons verdriet, onze eenzaamheid op zijn minst niet zijn ontzien. En dan heb ik het nog niet eens over troosten ….

Zo kan een pijnlijk verleden onverwacht weer in het hier en nu opduiken. Een geluk bij een ongeluk dat onze momenteel depressieve vader inmiddels wel in staat is liefdevol naar ons te zijn. Dat maakt onze inzet ondanks de belastende tijd niet alleen doenlijk, we vinden het fijn dat voor hem te kunnen betekenen.

Millie Ames

18-5-’70

Overige blogberichten