home > blog > Susan

Susan

Een moeder over zorgen en mijden

Susans zoon Alexander is 27 jaar. Na een gedwongen opname, een verblijf in een psychiatrische voorziening en een heropname, woont hij sinds kort in een kleine kliniek bij zijn ouders in de buurt. 

Open communicatie

Het contact met Alexander gaat weer stromen. Alexander gaat zijn lot meer in eigen hand nemen, kijkt met nieuwe ogen. Ziet mij, ziet Cees, ziet zijn zus Myrthe, en lijkt te aanvaarden dat hij niet meer terug naar huis kan – lange tijd zijn wens – en in een psychiatrische voorziening verblijft. Een wonder als je ziet waar hij woont: in een mini-inrichting, middenin een Vinex-wijk in de stad, met medecliënten, een stuk ouder dan hij, samen op een afdeling waar onrust en druk gedrag geregeld de boventoon voeren.

Ook dat ik hem na zoveel jaren bij afscheid weer een zoen mag geven is een wonder. Geen idee wat de omslag van kampioen zorgmijder naar meer mens teweeg heeft gebracht. Heeft de tijd zijn helende werk gedaan, zijn het de medicijnen die hij is gaan slikken, is het de steun die wij zijn blijven geven?

Wat ik moeilijk te verteren vind is dat de communicatie van mij als moeder met zijn directe hulpverleners – na al die jaren nog steeds – niet open ligt. Hoewel zijn persoonlijk begeleider ons bij de kennismaking zei dat betrokkenheid van familie erg op prijs wordt gesteld, ervaar ik dat niet zo. Vooral niet als ik iets over de behandeling of begeleiding kwijt wil of wil vragen. Het lijkt alsof men zich schrap zet en de verdediging inzet. Ik voel door de draad van de telefoon heen de niet uitgesproken verzuchting ‘daar heb je haar weer’. Soms lukt het me daaraan voorbij te kijken en open te blijven, soms klap ik dicht en blijf boos achter met de hoorn in mijn hand en neem mij voor dat een volgende keer niet weer te laten gebeuren. Wat trouwens steeds beter lukt.

Een voorbeeld: Alexander krijgt sinds kort wekelijkse gesprekken psycho-educatie; zijn persoonlijk begeleider zit daarbij. Op verzoek van Alexander ben ook ik twee gesprekken aanwezig. In het verslagje dat volgt, staat de observatie van de begeleider dat hij Alexander in mijn aanwezigheid minder open vindt. Ik vraag Alexander of hij dat herkent, wat hij bevestigt. Ik stel daarop voor er de volgende keer niet bij te zijn, en alleen nog als dat gewenst is. Goed geregeld denkt u dan. Maar wat mij opnieuw treft is de aanname van de persoonlijk begeleider dat ik mij zelf heb aangemeld c.q. opgedrongen, en daarnaast dat de begeleider zijn – juiste – observatie niet bij Alexander noch bij mij checkt. Wel prijst hij Alexander omstandig als die hem meedeelt dat ik niet meer mee zal gaan.

Het lukt om mijn geraaktheid terzijde te schuiven omdat ik zie dat Alexander het in deze situatie prima zonder mij kan stellen. Intussen zit het me wel dwars dat ik als moeder per definitie verdacht wordt van niet aflatende bemoeizucht, die natuurlijk haaks staat op het belang en welzijn van mijn zoon. Dit niet uitgesproken beeld staat een open gesprek in de weg. Voor mij is het de kunst om me daar niet door te laten bepalen. Maar wat zou het helpen als hulpverleners ook een open communicatie gingen nastreven, zowel in hun contact met de cliënt als met zijn naaste. Een over en weer stromend contact, daar wordt iedereen beter van!

4 april 2014

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overige blogberichten